Kennis Instituut Maatschappelijk Vastgoed

Verbod op rentederivaten geen oplossing

De discussie over rentederivaten die is ontstaan naar aanleiding van de Vestia-affaire wordt gevoerd op verkeerde gronden. Niettemin is het zaak dat organisaties beter onderzoeken welke financiële producten bij hun situatie passen. Nu, gedurende het komende jaar en in de toekomst. Irma Langeraert, directeur van ILFA Treasury Support pleit voor een gedegen analyse van verwachte liquiditeit of financieringsbehoefte met bijbehorende risico’s.

 

De kranten staan momenteel vol over rentederivaten en de risico’s die deze derivaten opleveren. Feit is dat iemand moet weten waar hij het over heeft als hij rentederivaten inzet. Maar dat geldt ook voor talloze andere zaken en producten.

Een rentederivaat is bepaald niet het enige financiële product waar een koper zijn vingers aan kan branden. Veel financiële producten en transacties die naar een andere naam luisteren, brengen minstens zulke grote risico’s met zich mee, als de gebruiker niet gedegen opereert. Ook een eenvoudige, rechttoerechtaan lening die niet (meer) aansluit op de businesscase van de organisatie, kost mogelijk een hoop geld.

 

Stel: het onroerend goed van een onderwijsinstelling is gefinancierd middels een vaste geldlening met een vaste rente. Het pand wordt voor de einddatum van de lening verkocht en de bank wacht op zijn aflossing. Het afkopen van dit contract kost minstens zo veel als het afkopen van een rentederivaat.

In de media stelt men dat ROC’s die ‘complexe financiële producten’ en ‘risicovolle derivaten’ hebben afgesloten, in totaal 17,7 miljoen euro zouden kunnen mislopen. Kamervragen zijn aangekondigd. In hoeverre dit alles waar is, weet ik niet. Opvallend is wel dat niemand spreekt over de potentiële kosten die het afkopen van de traditionele geldlening zouden kunnen veroorzaken. De redenen om tussentijds een renteswap te beëindigen zijn immers doorgaans gelijk aan de redenen waarom tussentijds de veilige lening zou moeten worden afgekocht.

 

Complexe producten

De aanvankelijk met veel bombarie gemelde misstanden in onderwijsland zijn zo verworden tot een discussie waarin de nadruk ligt op ‘zouden kunnen’. De liquiditeitsdruk die rentederivaten momenteel veroorzaken bij een aantal woningbouwcorporaties spelen – voor zover ik kan overzien – niet in het onderwijs. De gesloten rentederivaten zijn relatief eenvoudig van opzet en kennen vaak geen of een beperkte stortingsplicht.

 

De jaarrekeningen van sommige woningbouwcorporaties vertellen een ander verhaal. Daar zijn de zogenaamde tweede- en derdegeneratierentederivaten wel degelijk gesloten. Deze complexere varianten zijn vaak een samenvoeging van verschillende typen derivaten en tegengestelde posities. Bovendien zijn ze niet sec aan de Euribor gekoppeld, maar aan verschillende parameters. De opbouw en prijsstelling van deze producten zijn vaak weinig transparant. De werking ervan is hierdoor moeilijk te herleiden c.q. te beheren in een langetermijnperspectief.

 

Het kan echter wel. Daarvoor moet je de verschillende onderdelen weten te scheiden, hun werking toetsen en vervolgens (blijven) vaststellen of het product de risicopositie van de organisatie afdekt.

 

Risico puur theoretisch?

De vraag of de betreffende banken hun nonprofitklanten een dienst hebben bewezen door

deze producten te verkopen in het kader van hun zorgplicht, mag mijns inziens terecht worden gesteld. Maar nogmaals: de discussie wordt op verkeerde gronden gevoerd.Op een gegeven moment leek elk derivaat dat ooit was aangekocht een verkeerde keuze te zijn. Mensen werden en worden daar ook op afgerekend.

Zoals aangegeven zit het probleem niet in het derivaat. Het gaat er in alle gevallen om: past het product of de transactie bij de situatie en de organisatie? Is de investeringsbeslissing waarvoor qua renterisico zekerheid wordt gezocht wel voldoende solide? Forward starting wordt het risico afgedekt, waarna de investering wordt vertraagd of geschrapt.

 

Dan kost dat geld bij zowel een forward starting swap als een forward starting (traditionele) lening.

Het risico van de stortingsplicht was bekend bij de treasurers van woningbouwcorporaties. Maar iedereen dacht ook dat dit risico puur theoretisch was. Dus hebben woningcorporaties doorgaans maar weinig voorzieningen getroffen om een dergelijk risico te repareren. In de huidige extreme rentemarkt blijkt dat dit niet verstandig is geweest. Maar om de Vestiacase

steeds te projecteren op de volledige non-profitsector en elk derivaat te bestempelen als een granaat die op scherp staat, gaat te ver. Die conclusie is te kort door de bocht.

Bovendien spelen er nog zo veel andere zaken die belangrijk zijn binnen het treasuryvak,die omvangrijkere gevolgen kunnen hebben. Het (her)financieringsrisico is naar mijn mening een groter probleem.

 

Beperkte mogelijkheden MKB

Veel instellingen hebben erg weinig keus omdat banken veel minder bereid zijn om traditioneel lang te financieren. In het MKB is dat op dit moment nog veel erger. Als een MKB-ondernemer bancaire financiering krijgt, is het vaak een variabel rentende lening met een derivaat. Kennis over de mogelijke effecten van deze producten is in het MKB vaak gering. Bovendien is er tijdsdruk, dus dan is een contract op basis van vertrouwen zo getekend. Een rentederivaat is in sommige gevallen de logische oplossing, wil een instelling of bedrijf geen gigantisch renterisico lopen.

 

Groter risico

Langlopende kredieten drukken zwaar op de balans van een bank. Dat is de reden dat banken leningen met variabele rente in combinatie met swaps aanbieden. Mocht u daarvoor kiezen – vanuit welke organisatie ook – zorg er dan wel voor dat de lening gecommitteerd is, zodat de bank niet op ieder moment de lening onderuit kan trekken. Dat is namelijk een nog veel groter risico dan de negatieve marktwaarde van een swap.

 

Sinds de kredietcrisis weten we dat dit risico, ondanks dat dit jarenlang door banken is beweerd, geen theoretisch risico is!

 

Risicoprofiel

Een aanbod van een financiële instelling bestaat vaak uit verschillende elementen en bedrijven en instellingen moeten dit dus ook als zodanig benaderen. Banken knopen verschillende elementen aan elkaar, waardoor het geheel mogelijk niet meer transparant is. Dan wordt het een appel-perenmoes waarvan de kostprijs niet meer te achterhalen is.

Uit hoeveel procent appel, hoeveel procent peer en hoeveel procent suiker bestaat de moes? U moet van financiële producten altijd de oorsprong en de kostprijs kunnen bepalen, zodat u een en ander naar de toekomst kunt vertalen.

 

Als u producten niet goed kunt analyseren, moet u zich afvragen of de aangeboden oplossing en de prijs ervan passen bij uw situatie en risicoprofiel. Treasury dient ervoor te zorgen dat een organisatie over voldoende financiële middelen beschikt om de primaire activiteit tegen acceptabele kosten te financieren.

Als u een financieel product toetst, moet u eerst in kaart hebben gebracht wat de behoefte is aan financiële middelen en welke bijbehorende risico’s relevant zijn en hoe groot ze zijn.

Tot slot moet u analyseren en evalueren of het product bij de organisatie past. Vervolgens moet u regelmatig toetsen of de eerder vastgestelde match in de tijd niet is verschoven of teniet is gedaan.

 

Borging continuïteit

De afgelopen tijd heeft ons geleerd dat alles risicovol is. Prijzen schieten alle kanten op. Wat gebeurt er als de inflatie op 2,5 procent blijft en mijn bekostiging standaard achterblijft? Wat voor prijsbeleid moet ik voeren?

De continuïteit mag in geen geval in gevaar komen. Kijk goed naar de effecten van uw handelen voor de komende jaren. Treasury is niet bedoeld om de markt te verslaan, maar voor het tijdig inzichtelijk maken van veranderde marktomstandigheden.

 

Bent u afhankelijk van de katoenprijs en de dollarkoers? Dan zijn de Euribor en de goudprijs irrelevant. Het gaat erom: dekken de instrumenten die u gebruikt en afneemt de risico’s daadwerkelijk af?

Het gaat er in het treasuryvak altijd om: welke borging biedt de transactie voor de continuïteit? Voor een woningbouwcorporatie is het bijvoorbeeld erg prettig als de rente de komende tijd niet boven de 3,5 procent kan stijgen. Er is geen sprake van een kostenpost, maar van druk op de validiteit.

 

Grof schandaal of koopje

Nog een voorbeeld uit de ouderenzorg. Veel instellingen in deze sector staan momenteel voor een zware opgave. Niet zelden kunnen zij risico’s die voortvloeien uit grote nieuwbouwtrajecten niet meer alleen dragen. Dan staan zij voor de keuze: niet of weinig investeren met dito risico’s voor de continuïteit op middellange termijn óf samenwerken met een belegger.

Deze partij brengt risicodragend kapitaal in en vraagt daarvoor een rendement.

Ook op dit vlak laaien er discussies op die voorbijgaan aan de essentie. Er worden percentages geroepen of gefluisterd en men spreekt er schande over. Maar dat is lang niet altijd terecht.

Een rendement van 8 procent kan een grof schandaal zijn in het ene dossier, maar in het andere heel passend zijn of zelfs een koopje.

 

De vraag is welke risico’s zijn verlegd en of deze risico’s dermate groot zijn dat ze het gevraagde rendement rechtvaardigen. Heeft een organisatie dat eenmaal in kaart gebracht, dan weet ze of ze de juiste beslissingen heeft genomen.

Ook toezichthouders dienen eerst de juiste vragen te stellen om tot de juiste afweging te komen in hun oordeel over het functioneren van een organisatie. Aan elke transactie kleeft een zeker risico, zo heeft het recente verleden ons geleerd.

 

Om die reden is een gedegen analyse van de verwachte liquiditeit of financieringsbehoefte met de bijbehorende risico’s essentieel. De schade door brand kunt u immers ook niet verzekeren met een aansprakelijkheidsverzekering.

 

Irma Langeraert is directeur ILFATreasury Support, onafhankelijk specialist op het gebied van financiële vraagstukken, en Tools4Treasury, een laagdrempelige tool voor overheidsinstellingen en

het bedrijfsleven voor het efficiënt beheren van kasstromen.

 

Dit artikel verscheen eerder in Finance & Control

Partners
Hommelberg & Partners
LinkedIn
E. info@KMVG.nl | www.kmvg.nl